“1825. Plus minus 4 jaar oud ben ik met mijn ouders komen wonen op het Hoogezand, alwaar mijn vader Hooite Wichers Meursing geboren is. Mijn grootvader, die dezelfde naam had als ik, had daar nog een scheepstimmerwerf, toen ik 12 jaar oud was en van het school moest om bij grootpa op de werf te gaan scheepstimmeren te leeren.”
Zo begint Wicher Hooite Meursing een korte kroniek van zijn leven, achter in een grootboek opgetekend. Hij schrijft in gebrekkig Nederlands, wat het gevolg zal zijn van zijn beperkte schoolloopbaan.
Wicher leert inderdaad al op jonge leeftijd het vak van scheepsbouwer. Eerst op de werf van zijn grootvader, tot die in 1834 overlijdt. Dan gaat Wicher naar een andere werf waarvan de baas Boonstra heette. Dat duurde niet langer dan een half jaar, waarna hij aan het werk ging bij zijn vader Hooite en diens zwager Wubbo Wildervank, die voor gezamenlijke rekening op een werf in Hoogezand galjoot- en kofschepen gingen bouwen.
Vader was een strenge autoritaire man en hij zou al vrij jong aan drankmisbruik overlijden. “Toen ik 14 jaar oud was sprak geen der kinderen als vader er bij was aan tafel en moeder was zeer gedwee.” Er is verder niets over zijn jeugd bekend.
In 1837 hoort Hooite Wicher van kapitein Jochem de Jong, die een schip bij hem had besteld, dat er in Nieuwendam bij Amsterdam een werf te koop is. Deze is geschikt om reparaties uit te voeren en ook om grotere schepen te bouwen dan in Hoogezand mogelijk is. Schepen die in Hoogezand gebouwd werden moesten in die tijd via de stad Groningen naar zee. Groningen had alleen vaste bruggen en weigerde beweegbare of grotere bruggen te bouwen. Daarmee zou er meer concurrentie ontstaan met de in Groningen gevestigde scheepswerven.
“Mijn vader ging met die kapitein in het begin van 1837 daar na toe en kocht van Jan Goedkoop de werf te Nieuwendam met rietland, kerklandje en al de scheepstimmergereedschappen voor f 8000,-.”


